“Naakt ben ik uit de schoot van mijn moeder gekomen.” In één dag verliest Job alles, en toch “zondigde Job niet en schreef hij God niets ongerijmds toe.” In gescheurde kleren valt hij neer, “niet alleen in peilloos verdriet, maar ook in aanbidding.” Dwars door tranen heen vertrouwt hij dat “alles door Zijn handen gaat.” Ook wanneer lijden ons overspoelt, blijft Gods vaderlijke voorzienigheid onze lofprijzing waard.

