‘U bent Priester in eeuwigheid.’ Deze eer nam Hij niet voor Zichzelf, ‘maar Hij Die tot Hem heeft gesproken.’ Niet door mensen aangewezen, maar door God geroepen. Hij kent onze moeiten en heeft ‘om onze zonden voor de almachtige God gestaan, hoewel Hij zelf zonder zonde is.’ Omdat Hij het volmaakte offer wás, is er bij Hem een plaats—nu en voor eeuwig.

